Langzamer werken in het onderwijs: kan dat eigenlijk wel?

Na een drukke periode van de kerstvakantie tot de voorjaarsvakantie viel mijn oog op een boek van Cal Newport: Werken zonder burn-out. Dit is de man die het zalige idee van werken zonder mail had opgevat in zijn boek Bevrijd! en die pleit voor meer concentratie in Diep werk. Zijn laatste boek gaat over langzamer werken. Ik was heel benieuwd naar zijn ideeën — want hoe doe je dat, langzamer werken in het onderwijs?

We zijn niet minder, maar sneller gaan werken

Dat we steeds sneller en meer werken is wel gebleken. We hebben hulpmiddelen uitgevonden zoals de wasmachine en de magnetron waardoor we ons heel veel tijd kunnen besparen. We hoeven niet meer uren te wachten op bericht van anderen want een e-mail of chatbericht is zo ontvangen. Maar het gevolg van al deze hulpmiddelen is niet dat we minder zijn gaan werken — we zijn sneller gaan werken.

Als ik denk aan mijn start in het onderwijs op een school met maar één mailadres (info@schoolnaam.nl) dan zag de wereld er heel anders uit dan nu. Voor interne communicatie zocht je iemand op in de personeelskamer of je deed een berichtje in diens postvakje. Ik had twee berichtjes per week — misschien omdat ik startende docent was en dus onderaan de voedselketen stond qua belangrijkheid.

Tegenwoordig heb ik tientallen mails per dag. Van leerlingen, van ouders, van collega’s, van externe partijen, agenda-afspraken, spam… En dan tel ik de chatberichten nog niet mee.

De collega die nooit zijn mail las

In mijn vroege onderwijsjaren had ik een collega die uit principe geen mail las. “Als het belangrijk is zoeken ze me wel op.” En wat deden collega’s? Precies: “Hij leest zijn mail toch niet, dus we zoeken hem wel op.”

In zijn laatste week vroeg ik hem om één keer zijn Outlook-mailbox te openen, zodat ik kon zien wat de ‘oogst’ was van de afgelopen jaren. Om me een plezier te doen deed hij dit. Wat ik toen zag was een niet te stuiten stroom berichten in zijn inbox, als ware het een fruitautomaat waarop de jackpot was gevallen. Na een minuut of wat sloot hij het programma weer, voldaan, en ging over tot de orde van de dag.

De man heeft een hele mooie carrière gehad van tientallen jaren zonder mail. Die laatste jaren konden er ook nog wel bij. Ze kregen hem niet gek.

Druk zijn is niet hetzelfde als productief zijn

Newport noemt dit verschijnsel pseudo-productiviteit: het gebruik van zichtbare activiteit als primaire methode om feitelijke productiviteit te benaderen. Denk aan het lezen of beantwoorden van mails die niet direct over je onderwijs gaan, het aanschuiven bij vergaderingen waarvan je niet precies weet wat je er doet, of het praten over de waan van de dag.

En eerlijk gezegd: soms is het ook best fijn om even snel een bericht te versturen in plaats van iedereen fysiek op te zoeken. Dat kost veel meer tijd en energie. Maar als dat de hele dag vult, ben je dan nog bezig met waar je goed in bent?

“Hoeveel mensen op de lerarenopleiding dromen ervan om een substantieel gedeelte van hun werkweek bezig te zijn met mail en vergaderen?”

Het vak, de didactiek, wellicht de toetsing — dát zullen de voornaamste beweegredenen zijn om voor dit beroep te kiezen. Niet de inbox.

Principe 1: Doe minder dingen

Newport stelt: streef ernaar je verplichtingen zodanig te verminderen dat je ze zonder moeite kunt voltooien. Profiteer van die afgenomen belasting door het kleine aantal overgebleven projecten alle aandacht te geven.

Hoe vertalen we dit naar het onderwijs? Sommige van je taken liggen vast. Je hebt lessen in een rooster staan waar je naartoe moet. Er zijn vergaderingen waar je naartoe moet. Er zijn pauzesurveillances die je moet lopen. Er zijn toetsen die je moet nakijken. Het is de moeite waard om eens uit te zoeken hoeveel procent van je werkweek wordt bepaald door deze ‘moet-dingen’.

Vast staat ook dat je een deel van je week helemaal zelf invult. Tijd voor, tussen en na de lessen. Tijd voor taken waar je ja tegen hebt gezegd. Vergaderingen waar je ‘ja’ tegen hebt gezegd. Klussen die je zelf kiest om uit te zoeken. Als je deze tweede categorie niet doet, zal er waarschijnlijk niet direct iemand je erop aanspreken. Soms ook niet als je ze voortreffelijk doet. Dat is het lastige van kenniswerk — het is lang niet altijd te zien.

En het wordt nog cynischer als ik bedenk dat ik in twintig jaar onderwijs nog nooit een compliment heb gekregen voor die duizenden mails die ik heb beantwoord. Sterker nog: hoe sneller of vollediger je antwoord, hoe groter de kans dat dit meer werk oplevert. Denk aan die oude collega van mijn eerste school!

Zes weken zonder mail

Newport haalt het voorbeeld aan van een topadviseur van Barack Obama die in 2010 te maken kreeg met een computervirus in het netwerk. Zes weken lang kon hij niet mailen. Alles met een chip erin moest worden vernietigd. Hij noemde het later ‘donkere dinsdag’.

Maar er gebeurde iets onverwachts. Doordat hij fysiek moest afspreken met mensen, ontstonden er cognitieve pauzes — witruimtes. Hij belde iedere dag met het Witte Huis om te horen of hij nog aanwezig moest zijn bij een vergadering. De rest van de tijd? Nadenken. Écht nadenken.

Hoeveel witruimte hebben wij op een gemiddelde schooldag?

Principe 2: Werk in een natuurlijk tempo

Ik geef in trainingen vaak de metafoor van de parabel van Jean de la Fontaine: de krekel en de mieren. De mieren zijn in de zomer druk bezig met eten verzamelen voor de winter, terwijl de krekel het ervan neemt en wat aflummelt. Als het eenmaal koud, naar en donker is, klopt de krekel alsnog aan bij de mieren om hulp.

“Werk hard wanneer het kan en rust uit wanneer het nodig is.”

Ook in de schoolkalender zijn er zaai- en oogstmaanden. De periode zomervakantie tot herfstvakantie: de zon schijnt, de kinderen zijn nog goed geluimd, er is nog weinig correctiewerk. In die periode kun je veel niet-tijdgebonden werk doen: toetsen maken voor de rest van het jaar, projecten uitwerken, studiewijzers opstellen.

Maar wat ik ook zie gebeuren is dat collega’s dan juist vroeg naar huis gaan, nog even in het zonnetje zitten, minder bereikbaar zijn.

In de periode herfst-kerst en kerst-voorjaarsvakantie ligt de energie van leerlingen én collega’s over het algemeen een stuk lager. Terwijl er dan juist meer moet. De toetskaravaan trekt voort, ouderavonden, profielwerkstukken — en dat in een periode van duisternis en kou die niet iedereen motiveert.

Newport wijst erop dat we geen lopendebandwerkers zijn die door de uitvinding van kunstlicht maar door moeten blijven gaan. Neem pauze wanneer het kan en nodig is. Maar dan helpt het wel als je — net als de mieren — je zaai- en oogstwerk al gedaan hebt.

Zijn tip: maak een jaarplan. Schrijf op wat er moet en wat je wilt, en kijk kritisch naar je jaar. Tien maanden school, mooi verdeeld tussen de vakanties. Wat wil je wanneer af hebben? En verdubbel de tijd die je denkt nodig te hebben. De mens is volgens Newport van nature een slechte planner voor cognitief werk. Zit het tegen, dan heb je ruime marge. Gaat het voorspoedig, dan krijg je door die ruime planning ineens uren of zelfs dagen cadeau.

Principe 3: Wees geobsedeerd door kwaliteit

Newport haalt een prachtig citaat aan van Ira Glass over de kloof tussen je smaak en je vaardigheden. Kort samengevat: je begint met werken omdat je weet wat goed is. Maar in het begin is wat je maakt nog niet goed genoeg. De enige manier om die kloof te dichten? Veel maken. Blijven oefenen. Doorzetten.

Als ik denk aan mijn eerste lessen dan was dat ook overleven en een constante loop van trial en error. Dan stopte ik een maand aan informatie in één les, dan hield ik weer een kwartier over. Ook moest ik mijn eigen toon zien te vinden. En die toon varieert ook nog eens per jaarlaag, niveau en soms per klas.

Hoe druk was ik als stagiair met mijn vier lessen per week. Uren kon ik bezig zijn met een presentatie of het zoeken naar een passend videofragment. En daarna evalueren en piekeren hoe het beter had gekund. Dat is nu met twintig lessen per week heel anders. Je weet wat werkt en wat niet. En natuurlijk ben je als docent nooit ‘af’. Ook dit jaar heb ik door lesbezoeken weer waardevolle feedback en inspiratie gekregen om bij te schaven.

“Het gaat om vooruitgang, niet om perfectie.”

Newport gaat niet mee in perfectionisme. Mik op iets dat goed genoeg is om de aandacht te trekken van degenen wier smaak ertoe doet. Maar verlos jezelf van de dwang om een meesterwerk te produceren.

Vertraag — maar met richting

Ik heb het boek met plezier in twee weken uitgelezen. Het is geen verhaal dat je in één ruk uitleest — althans, voor mij is het daarvoor te zelfhulperig. Wat ik prettig vond zijn de anekdotes die zijn principes ondersteunen. Ik kan genieten van de na-tegenslag-toch-succesverhalen van de schrijvers, muzikanten en ondernemers die hij opvoert. Zijn toon is soms op het ronkende af, maar dat houdt wel de energie erin.

De centrale boodschap — vertraag — kan ik zeker onderschrijven. We zijn met elkaar te veel bezig met pseudo-productiviteit in het onderwijs. Natuurlijk is er niet één schuldige voor de ad-hoc en soms zelfs nerveuze structuur die we met elkaar maken. Maar ondanks dat mail, digitale agenda’s en chat zo subtiel hun intrede hebben gedaan, is het belangrijk om expliciet te evalueren of we met elkaar een prettig werkklimaat hebben.

Niet door alles uit de handen te laten vallen. Maar wel door op rustige zaai- en oogstmomenten te kijken wat er wel en niet moet. Door de onderwijsseizoenen als zodanig te bekijken, benoemen en benutten. En uiteindelijk de kwaliteit van wat we doen te verhogen.